Paraplu eten?

on

klaproos

Dochter en ik fietsen samen in de wind. Zij bij mij achterop, want we gaan ver. Haar hoofd rust tegen mijn rug, armpjes om mijn middel geslagen. ‘Lekker warm, mama,’ klinkt het gesmoord in mijn jas.

We fietsen langs huizen en door parkjes. Langs eenzame eksters en hele families grauwe ganzen. Fluitekruid, brandnetels en hoge grassen waaieren in de wind, net als onze haren. Dochter vindt het maar zielig voor die planten. Zielig? ‘Ja, dat ze niet voor altijd leven,’ zegt ze. ‘Dat ze worden opgegeten door dieren en dan doodgaan.’ Langzaam kruipt een slak naar het topje van een grasspriet. Even is ze stil en concludeert dan: ‘Maar ja, zo gaat dat in de natuur.’

En verder gaan we. Zachte regenspetters in het gezicht. Stoppen bij een stoplicht. Nu ook boterbloemen en klaprozen langs het pad. ‘Gelukkig eten de dieren die bloemen niet op. Daar halen ze toch alleen maar nectar uit?’ En even vergeten we het stoplicht als we een hommel van bloem naar bloem zien zoemen. Ja hoor, hij laat de bloem gewoon staan. Gelukkig.

Gerustgesteld fietsen we door. De wind duwt ons harder en harder. Ineens veert dochter op uit haar gemakkelijke houding en wijst naar de berm. Een grote herenparaplu ligt erbij als een dode zwarte kraai. ‘Die heeft iemand zomaar weggegooid!’ Verontwaardiging klinkt door in haar zachte kleuterstem. ‘Straks eet de natuur die paraplu op en dan gaat de natuur dood!’