Noodstop

on

IMG_1534

Ik fietste over de dijk, langs de rivier, met J. en dochter. Grijze lucht, beetje heiig, maar niet koud. Een vrachtboot gleed traag voorbij, zwermen kieviten vlogen op. Een grote zilverreiger foerageerde onverstoord verder langs de oever, wadend met zijn lange poten in de rivier. Koeien herkauwden gemoedelijk in de modder, schapen graasden onder aan de dijk. Bij de schapenwei stopten we om wat te drinken. Plukken vacht hingen als vrolijke vlaggetjes aan het prikkeldraad. Dochter wilde voelen hoe dat voelde, zo’n schapenvacht, en begon aan zo’n plukje vacht te plukken. Plotseling gilde ze. “Een kruisspin! Er zit een spin in!”
We onderwierpen de andere plukjes aan inspectie, terwijl de schapen nieuwsgierig meekeken, en ontdekten nog veel meer spinnen. In een pluk zaten zelfs twee spinnen bij elkaar. Kennelijk een lekker plekje. Gelijk hebben ze, als ik een spin was zou ik ook lekker warm wegkruipen in zo’n wollig schapenvachtje, vanwaaruit je rustig kunt afwachten welke prooi er op je afkomt.

We fietsten verder. Stil en gedachteloos. Ik peddelde prettig in de slipstream van J. voor me. Een horde motoren kwam razend vanaf de andere kant ons tegemoet en dreef scherpe benzinedampen in mijn neus. Plotseling stond J. boven op de rem, ik kon ternauwernood uitwijken naar links, de fiets voorbij –een motor zoefde rakelings voorbij- en snel weer naar rechts. Ik stapte af, draaide me om en vroeg om een verklaring. Of hij niet even had kunnen waarschuwen, waar hij dacht mee bezig te zijn, dat ik bijna tegen een motor op was geknald en meer van dat soort zinnen rolden uit mijn mond. Totdat ik zag wat de reden van zijn noodstop was geweest, daar op het asfalt vlak naast zijn voet. Een heel, heel klein muisje, niet groter dan mijn pink. “Een baby-muis,” zei dochter. En hij leefde nog. Verstard van angst. Ik pakte hem op en hield hem in mijn hand. Even sloot hij zijn oogjes. Dochter was meteen verkocht, hij moest mee naar huis vond ze. Maar het ieniemieniebeestje zou vast al dood zijn tegen de tijd dat we thuiskwamen, meende J. Dus maar in de berm gezet, een stukje van de weg af, in de buurt van een van de vele muizenholletjes. Even bleef hij staan, daarna floepte hij snel het holletje in. “Nu is ‘ie vast weer bij z’n mama en broertjes en zusjes.” Hopelijk.

IMG_1514