Varanger, juli 2013

on

De camping net buiten Vardø, daar waar de fjell begint, ligt er verlaten bij. Drie schapen steken gemoedelijk binnendoor tussen de gebouwen. Niet meer dan drie houten ‘barakken’. Groene en gele verf bladdert af, rood-geruite gordijntjes wapperen als vlaggetjes door de kapotte ramen naar buiten. Die hingen er acht jaar geleden ook al.

camping Vardo

Omdat de campingeigenaar begreep dat slechts weinigen het aandurven in de nogal ruige omstandigheden aan de Barentszzee hun tentje op te slaan –wij toen in ieder geval niet-, gaf de eigenaar een alternatief: een bed in een barak. De kamers die je in de barakken kon huren, boden vooral een droge plek om te slapen. Niet meer en niet minder. Met een lauwe, druppende douche op de gang, te delen met alle andere gasten in het hele gebouw, en een indringende urinegeur in het toilet ernaast. Vierentwintig uur licht en doorkijkgordijntjes voor de ramen. Wij verbleven in het voorste groene gebouw, het gele gebouw was het woonhuis van de eigenaar, een kwieke zeventiger. Toen. Hij had de hele handel te koop staan. Zijn broer met wie hij altijd de camping had gerund, was overleden. Even probeerde ik me destijds voor te stellen hoe het zou zijn als wij het zouden overnemen. Het bleef bij een mooie gedachte die ik meenam naar huis.
Kennelijk is het niet gelukt het te verkopen. Een bijna spookachtige sfeer hangt op het terrein. Stilte. Ik loop tussen de gebouwen door, wil even kijken bij het gele huis. Vlak voor het trappetje dat naar de voordeur leidt, blijf ik staan. De voordeur met twee kapotte ruiten klappert in de wind. Plastic begonia’s bungelen nog voor de ramen, meubels staan er alsof de eigenaar ieder moment kan terugkomen. In de woonkamer weet een klok wanneer de tijd hier ophield te bestaan. Ik zou zo naar binnen kunnen stappen. Maar ik durf niet en draai me om. We gaan verder.

Barentszzee