Zon

on

IMG_2971

Dochter vindt dat we moeten wandelen. Genoeg binnen gezeten, vindt ze. Op naar buiten! En gelijk heeft ze.

Maandenlang was het koud en grijs. Maandenlang hield de kou ons gevangen, waagden we alleen de meest noodzakelijke stappen in de gure tegenwind. Als een kikker in winterslaap wachtten we binnen op betere tijden.

Met weemoed dachten we terug aan die mooie lentes in andere jaren. Warme, zonovergoten en vooral ook windstille dagen. Pierenbadje in de tuin ter verkoeling. Rondrennende kinderen in zwembroek met waterpistolen, urenlange wandelingen op de hei en de ontdekking van een eerste zonnende hazelworm of zandhagedis. Alsof de lentes nooit anders waren geweest.

En toen, heel even –ergens in mei?-, was daar die opleving. Kleine vossen en enkele witjes zweefden onzeker voorbij, een groene kikker kwaakte wat onwennig, een kleine karekiet kraste voorzichtig in de rietkraag naast de buurtsuper. We kregen hoop. Zou de lente nu écht losbarsten?

Maar de koude wind uit het noorden blies die hoop al snel weer weg. Wéér was het grijs en lieten we ons naar binnen jagen. Gevangen. Alsof we niet anders kónden. De wind blies ons gemoed binnen, grijze wolken sloegen toe. Alleen de zon kon ons nog redden, zo leek het.

En ineens is ze nu daar, de zon. Sterke stralen tussen de wolken, alsof ze de grijze massa  eens flink opzij willen duwen. Dit is onze kans: naar buiten! Maar ver komen we niet, dochter (bijna 4) en ik. Ze zit met haar hoofd in de ligusterhaag. ‘Allemaal vliegbeesten,’ klinkt haar gedempte stem.
Inderdaad, bijna op ieder blad zit een sluipwespje. Sluipmoordenaars, wachtend op de rupsen van de ligusterpijlstaart?
‘Mooi, hè?’ zucht dochter, met een ‘vliegbeest’ op haar vinger. En dat is het zeker.