Weer
thuis. Mooie omlummeldagen achter de rug, met manlief en dochter in de Eifel. Zonder
jongens, die waren met opa en oma aan de boemel in Frankrijk.
Zelden
zag ik zoveel slakken in zo’n korte tijd als de afgelopen dagen. Stuk voor stuk
wees dochter ze aan. ‘Kijk mama, hier is een mooi slakje. Maak jij maar een
foto.’
Om
er steevast aan toe te voegen, nadat ik een kiekje had geschoten: ‘Is koud,
voel maar.’ Ja inderdaad, koelbloedig en plakkerig zijn ze, stelden we samen vast. Maar ook prachtig en traag. En zo fotografeerde ik een hele collectie bij
elkaar, om thuis nog eens te bestuderen op een regenachtige middag. Niet alleen observeerden we slakken, we bewonderden ook vele oranjetipjes op de pinksterbloemen en zagen de eerste sleutelbloemvlinders, we kuierden door velden vol zachtgele sleutelbloemen en genoten van de uitbundig bloeiende dotterbloemen in greppels en langs oevers van meanderende beekjes.
Nu
en dan speurden we de lucht af op al dan niet aanwezige dreigende bewolking en
stuitten daarbij onverwacht eens op een cirkelende zwarte ooievaar vlak boven
ons hoofd. En de spiedende, ietwat hooghartige blik van een oehoe hoog in een
naaldboom deed ons vermoeden dat die ons allang in de smiezen had, toen wij nog
met onze speurneuzen neerwaarts gericht liepen.
Maar…
wat we niet zagen: orchideeën! Nou goed, nauwelijks. Voor de liefhebbers: we
vonden drie bloeiende mannetjesorchissen, een vliegenorchis met voorzichtig een
bloem geopend en vele rozetten van nachtorchissen. Verder nog geen glimp van
andere soorten. Misschien over een week of drie nog eens een kiekje nemen.









